Hegebeintum

plattegrond-thumbnail-basis1

1. Een bezoek aan de romaanse kerk op de terp van Hegebeintum is een reis door duizenden jaren Friese geschiedenis. Uit archeologische opgravingen is gebleken dat deze plaats al vanaf de zevende eeuw voor Christus onafgebroken bewoond is geweest. Met 8,80 m is dit de hoogste van de in totaal meer dan duizend terpen in het Friese en Groningse kustgebied. Terpen zijn heuvels die door mensen zijn opgeworpen om zich te beschermen tegen het zeewater. In de 19e eeuw werd ontdekt dat de terpaarde zeer vruchtbaar was en geschikt was om er arme zandgronden in andere delen van het land mee te verbeteren. Vanaf 1870 werd de aarde van hier per schip afgevoerd. Door de afgravingen heeft de terp van Hegebeintum nu een grillige vorm met steile kanten.

Foto: Erik & Petra Hesmerg

plattegrond-thumbnail-basis

2. In 1904 en 1905 werd in de terp een groot aantal archeologische vondsten gedaan, waaronder urnen, mesjes en andere sieraden. De mooiste vondst was een kostbare fibula of mantelspeld, versierd met prachtig filigraanwerk dat een sterke verwantschap vertoont met vergelijkbare vondsten in Engeland en Scandinavië. Zo laten de vondsten zien dat de Friezen in deze periode, de vroege Middeleeuwen, niet geïsoleerd leefden, maar onderdeel waren van een bredere Noordzee-cultuur. De meeste vondsten uit Hegebeintum worden nu bewaard in het Fries Museum in Leeuwarden. Het bezoekerscentrum in Hegebeintum bezit enkele reproducties.

plattegrond-thumbnail-basis3

3. Van een kerk in Hegebeintum is voor het eerst sprake in een bezittingenlijst van het klooster Fulda in Duitsland uit de achtste eeuw. De kerk die we nu zien is romaans en dateert hoofdzakelijk uit de elfde en twaalfde eeuw. Het bouwmateriaal is grijze tufsteen, die vanuit de Eifel per schip naar hier werd vervoerd. De noordmuur heeft zijn massieve gesloten opbouw met kleine rondboogvensters het best bewaard. Rond 1200 werd de kerk in westelijke richting verlengd in grote bakstenen, die hier ‘oude Friezen’ worden genoemd. In de 16e eeuw werd de kerk opnieuw uitgebreid, en daarbij werden ook enkele grote spitsboogvensters ingebroken. Na de Reformatie werd alleen de huidige toren nog toegevoegd; deze dateert uit 1717 en moest 2015 wegens verzakking op palen worden gezet.

plattegrond-thumbnail-44

4. In het interieur van de kerk herinnert nog maar weinig aan de tijd voor de Reformatie. Boven de preekstoel kwam tijdens een restauratie in de twintigste eeuw een romaanse schildering aan het licht, de oudste van heel Friesland. We zien een Christuskop met een kruisnimbus en een tweede Christusfiguur met twee engelen. Laatmiddeleeuws snijwerk vinden we aan de rozetten met katholieke symbolen die de nok van het houten tongewelf sieren. Al het andere oorspronkelijke middeleeuwse meubilair, waaronder altaren, de doopvont, beelden en mogelijk een koorhek, werd bij de Reformatie door de protestanten verwijderd.

plattegrond-thumbnail-5

5. Na de Reformatie bleef de kerk niet lang kaal en leeg. In de loop van de 17e en de 18e eeuw werd de ruimte gevuld met een statige protestantse inrichting waarin vooral de gedachtenis aan de lokale adel tot uitdrukking komt. De wanden van de kleine kerk zijn vrijwel compleet behangen met maar liefst zestien rouwborden en -kassen, en daarmee is Hegebeintum recordhouder in Noord-Nederland. Ze herinneren aan de bewoners van de Harsta-State, een versterkt steenhuis ten oosten van het dorp. Met hun uitbundige heraldiek geven ze de kleine kerk bijna het karakter van een private slotkapel. Van de ooit monumentale state is slechts een restant bewaard gebleven, zodat we de adellijke cultuur nu alleen nog in de kerk kunnen beleven.

plattegrond-thumbnail-66

6. De rouwborden en –kassen bezingen de glorie van een aantal vooraanstaande Friese geslachten, waaronder Heslinga, Van Aysma, Van Nijsten, Van Coehoorn en De Schepper. In de tijd na de Reformatie verwierf de adel overal in Nederland vooraanstaande posities in het landsbestuur, de krijgsmacht en de rechtspraak en via het collatierecht konden zij vaak ook bepalen wie er tot predikant werd benoemd. De Franse Tijd aan het eind van de achttiende eeuw zou een abrupt einde brengen aan veel adellijke privileges, en uit de meeste kerken werden de gedenktekens toen met een beroep op het gelijkheidsideaal verwijderd. In Hegebeintum is dat niet gebeurd, waardoor deze kerk nog altijd een unieke indruk geeft van hoe het interieur van veel protestantse kerken er in de 17e en 18e eeuw eruit moet hebben gezien.

plattegrond-thumbnail-7

7. De oudste twee borden zijn ruitvormig en naar verhouding van bescheiden afmetingen. Ze herinneren aan de zussen Louisa Albertina van Nijsten en Catharina Imilia van Nijsten, die beiden rond 1690 overleden. Ze tonen alleen een geschilderd wapen en een kort grafschrift. Deze eenvoudige borden werden als schilden voor de rouwstoet uitgedragen en na de rouwperiode ter herinnering aan de overledenene in de kerk opgehangen. De begrafenis van een edele in deze tijd moet een indrukwekkend schouwspel zijn geweest, waarbij het huis en ook de kerk met zwarte doeken werden bekleed. In de achttiende eeuw werden de rouwborden geleidelijk aan steeds uitbundiger versierd.

plattegrond-thumbnail-8

8. De rouwkas van Sophia Lucretia van Nijsten is uitgevoerd in een uitbundig barokke stijl. Sophia Lucretia van Nijsten, overleden in 1761, was ongehuwd gebleven, zodat met haar stierf de familienaam Van Nijsten uitstierf. Dit wordt in het grafschrift ook vermeld: ‘De Welgeboren Juffer Sophia Lucretia van Nijsten Aetatis 91 jaaren en zes maanden sijnde geweest de laatste van negentien volle Broeders en susters en de laatste van het Geslagt van de Naam van Nijsten’. Het einde van het geslacht wordt verbeeld door de afgebroken takken van een eik en een laurier boven het wapen. De omlijsting wordt bekroond door twee treurende vrouwen met een urn en een doodskop in de handen. De putto onderaan draagt een sikkel en een zandloper. De rouwkas ernaast herinnert aan Daniel de Block de Schepper, die in 1785 op slechts twintigjarige leeftijd overleed. Uit zijn grafschrift blijkt dat hij student was aan de universiteit van Franeker: ‘In Leven Juri utriusque studiosus (d.w.z. student in beide rechten, wereldlijk en kerkelijk) aan ’s lands hoogeschoolte Franeker oude xx jaren xi maanden en xviii dagen’. Het bord heeft een strakke lijst die wordt bekroond door een doodskop en een vlampot, en in het tympaan zien we weer een zandloper.

plattegrond-thumbnail-98

9. Een rouwbord in het koor uit 1724 herinnert aan Gideon Gosses van Coehoorn, die vanaf 1700 tot aan zijn dood de eigenaar van de Harsta-State was. Het opschrift omschrijft hem als ‘De Wededelgeboren Heer Gideon van Coehoorn in Leven old Colonel van een Regiment te voet en ontfanger Generaal van Ferwerderadeel etc. etc.’ De grafzerk voor Gideon en zijn zoon Roeland Buwetius (gestorven in 1732) ligt in de vloer van het koor, op de plaats waar ooit het hoogaltaar had gestaan. Erachter staat een grote overhuifde herenbank waarvan het ruggeschot is versierd met vier wapenschilden. De edelen zaten onder de luifel en de voorbank was bestemd was voor het personeel.

plattegrond-thumbnail-10

10. De eikenhouten preekstoel met bijbehorend doophek aan de zuidwand van de kerk dateert uit het begin van de 18e eeuw. De panelen rond de kuip zijn versierd met sierlijk snijwerk in Lodewijk XIV-stijl. Op de rand van de preekstoel staat een koperen zandloper, die moest voorkomen dat de dominee te lang zou preken.

Foto’s: Erik & Petra Hesmerg (foto 2 – fibula) en archief Regnerus Steensma (overige foto’s)

Advertenties