Utrecht (Jacobikerk)

utrecht-transparant© Regnerus Steensma

1. De vroegste vermelding van de kerk stamt al uit 1173, maar uit deze periode is vrijwel niets zichtbaar bewaard gebleven. Het tegenwoordige kerkgebouw dateert hoofdzakelijk uit de 14e (dwarspand en middenkoor) en de 15e eeuw (schip en zijkoren). Het model is dat van een hallenkerk met drie parallelle beuken van gelijke hoogte. Door de uitbreiding van het schip in deze tijd raakte de westtoren geheel ingebouwd. Tot aan de windhoos van 1674 had de toren een hoge spits en een Hemony-carrillon; erin hangen nog altijd twee oude klokken, uit 1479 en 1556. De armenhuisjes aan de westzijde werden pas in de achttiende eeuw aangebouwd. Sinds 1580 is de kerk protestants, maar daarvoor deed zij dienst als katholieke kerk. Uit deze tijd zijn in de Jacobikerk verschillende elementen bewaard gebleven. Op één van de gebeeldhouwde sluitstenen in het middenkoor is de naamgever van de kerk te zien, de apostel Jacobus de Meerdere (‘Santiago’) die een pelgrim zegent.


2. Het belangrijkste bewaarde onderdeel van de middeleeuwse inrichting is het driedelige koorhek, dat het middenkoor en de zijkoren over de volle breedte afsluit. Deze situatie is uniek in Nederland en is ook in Europa erg zeldzaam. Alleen in het zuidwesten van Engeland komen meerdere van dit soort brede koorafscheidingen voor. Anders dan in Groot-Brittannië zijn de spijlen hier niet van hout, maar van messing, zoals bij koorhekken in Nederland gebruikelijk was. Zo’n koorhek diende als afscheiding tussen het koor, waar alleen priesters mochten komen, en de lekenruimte in het schip. Het altaar is bij de Reformatie uit het koor verwijderd, maar op de muur is een schildering bewaard gebleven van een engel met een wierookvat en een kaars, en ernaast zijn de sporen van een afgekapt wijwaterbakje te zien.

a33
3. De tralies in de zijhekken dateren uit 1516-1519 en werden gegoten door de Mechelse geelgieter Jan van den Ende. De spijlen in het middelste hek werden tijdens de Beeldenstorm vernield of gestolen, en kort daarna vervangen door de huidige tracering in renaissancestijl van de Antwerpse kunstenaar Jan de Clerck. Opvallend is dat het middendeel hiervan naar voren springt. Mogelijk stond hier het sacramentshuis, waarin na de misvieringen de geconsacreerde hosties werden opgeborgen. De hoekstijlen zijn versierd met gesneden figuurtjes van een vrouw met een kruik en een man met een onduidelijk voorwerp.

a4
4. In de pijler op de hoek van het schip en het zuiderdwarspand is een kleine ruimte van nauwelijks 1 m2 uitgespaard, die in de bronnen het ‘huysgen in de pyleerne’ wordt genoemd. Hierin liet de kluizenares Alijt Ponciaens, die uit een welgestelde Utrechtse familie stamde, zich opsluiten om zich in eenzaamheid te wijden aan gebed en meditatie. Door de vensteropeningen had zij zicht naar het schip en naar het koor, waar het hoogaltaar stond. Een dergelijke ‘kluis’ bevond zich ook in de Utrechtse Buurkerk, waar Suster Bertken woonde. Door hun publieke vroomheid oogstten deze vrouwen veel bewondering en trokken ze veel bekijks, wat hun zelfgekozen isolement natuurlijk niet bevorderde.

a55
5. De tekstschildering op de muur in de naastgelegen Andreaskapel heeft betrekking op de verrijzenis uit de dood. Het houten hek met ijzeren spijlen dat deze kapel afsluit is uitgevoerd in gotische stijl en dateert uit het begin van de 16e eeuw. De kleurige beschildering werd later aangebracht, toen de ruimte werd ingericht als grafkapel voor de familie Panthaleon van Eck. De kapel aan de noordzijde van het schip was gewijd aan de heilige Machutus (St. Malo), een Britse vroegmiddeleeuwse missionaris. Hek ervoor is 18e-eeuws, evenals de tombe die er in staat. Verspreid in het middenschip en de zijbeuken zijn vele gebeeldhouwde sluitstenen te zien, met daarop voorstellingen van apostelen, heiligen, engelen, bisschoppen en enkele passiesymbolen.


a6

6. Ook de kleurige schilderingen op de westwand van de zuidelijke zijbeuk dateren nog van voor de Reformatie. Rechts van het venster zien we het hoofd van Christoforus, de reus die zijn krachten inzette om reizigers over de rivier te dragen. Op zijn schouder draagt hij het Christuskind, en daaraan dankt hij zijn naam Christo-forus (‘Christus-drager’). Volgens het volksgeloof bood een blik op deze afbeelding gedurende de rest van de dag bescherming tegen de plotselinge dood, wat hem tot een van de meest vereerde heiligen van de Middeleeuwen maakte. Links van het venster, op de andere oever van de rivier, staat een kluizenaar met een lantaarn. Dat dit deel van de kerk en houten zoldering heeft is het gevolg van beschietingen tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Hieraan herinnert de tekst aan de zuidkant van de ingebouwde kerktoren: “Ano 1576 hebben min die spaengers (Spanjaarden) van Vreborg (Vredenburg) leet gedaen, Godt versacht dat ik bleef staen”. In de negentiende eeuw was hier de kosterswoning ingebouwd.

a7
7. Aan de westkant van het schip staat het orgel, dat in de 18e-eeuw werd gebouwd door Rudolf Garrels met gebruikmaking van ouder materiaal uit onder meer een middeleeuwse voorganger. Onder het orgel ligt de grafzerk voor Hubert Jacobszoon Duyfhuys, die in 1574 tot priester van de Jacobikerk werd gewijd. Hij behoorde tot de hevormingsgezinden onder de geestelijken en bleef na de overgang tot het protestantisme aan als de eerste predikant: kennelijk lag hij goed bij de plaatselijke bevolking. Lang zou hij zijn nieuwe ambt niet uitvoeren – hij stierf al in 1581. Met zijn huisvrouw Krijntje Peters was hij al in 1574 in het geheim getrouwd. Ze liggen beiden onder dezelfde steen begraven.

a8
8. Na de Reformatie moesten de afbeeldingen letterlijk plaats maken voor teksten: voor verschillende tekstborden in de Jacobikerk werden oudere panelen met geschilderde voorstellingen hergebruikt. In de noordelijke zijbeuk hangt een bord met de Tien Geboden, waaraan de protestanten veel waarde hechtten. Vaak stonden deze borden op het hek voor het koor, waar het Avondmaal werd gevierd. Gelovigen die zich daar naartoe begaven werden zo herinnerd aan hun zondigheid en opgeroepen het eigen geweten te beproeven. Alleen wie deze ‘test’ doorstond, mocht aan tafel gaan. Naast het Tien Gebodenbord hangt een bord met de vermanende tekst van Hebreeën 12:12-24, die ook over een oudere schildering werd aangebracht. Op een ander bord in de noordelijke zijbeuk zijn gedeelten uit de Bergrede van Jezus (Mattheüs 5-8) geschilderd.

a9
9. Bijzonder is het tekstbord uit 1604 met daarop tien teksten die onder meer betrekking hebben op het Laatste Oordeel. In de top staat geschreven: “Komt gy Gebenedyde myns Vaders besit dat Rycke dat Jouw bereyt is van ‘t begin der Werelt” en “Gaet gy van my gy Vermaledyde in dat Eeuwige vier dat bereydt is den Duyvel ende syne Engelen”. Het centrale deel vertelt het oudtestamentische verhaal van de redding van de jongelingen uit de vurige oven (Daniel 3). De overige teksten rond het middenstuk hebben niet alleen betrekking op het oordeel (“Heer en gaet niet in toordeel met uwen Knecht, want voor u sal geen levende rechtveerdig syn”), maar ook op de verlossing (“Ick ben een Goet Herder dat seg ick dy, ick kenne myn Schaepkens ende myn Schaepkens kennen mij”). Ten slotte is er een citaat uit Psalm 51.

a1010
10. Ook de gilden manifesteerden zich in de Jacobikerk. In de noordelijke zijbeuk liet het molenaarsgilde een ingemetselde steen aanbrengen, terwijl de hoedemakers hun gildebord ophingen in de zuidelijke zijbeuk, bij de toegang tot hun grafkelder. Het draagt als opschrift: “Tot geryfs voor de Hoey Makers Knechs en Wyfs”. Van de koperen kaarsenkronen werden er enkele geschonken door de schippers. Hun vrouwen hadden hun eigen zitbank tegen een van de schippijlers. Tot de inrichting uit de protestantse tijd behoren verder een preekstoel met doophek in renaissancestijl van omstreeks 1600 en twee fraaie gestoelten uit 1621. In het zuidelijke zijkoor staat een grafmonument voor J.J. van Westrenen uit 1769 en in het noordelijke zijkoor ligt een sierlijke grafzerk voor Justus Krikcx en Agnes de Milan, eveneens uit de 18e eeuw. Tussen 1979 en 1988 werd de kerk gerestaureerd. Op 12 december 2003 besloot de synode van de Nederlandse Hervormde Kerk hier tot de fusie met de Gereformeerden en de Luthersen in de Protestantse Kerk in Nederland.

Foto’s: Archief Regnerus Steensma

Advertenties