Middelstum

1
1ecgt1. De Sint-Hippolytuskerk van Middelstum is gebouwd in de laat-gotische stijl, ter vervanging van een oudere voorganger.
De nieuwbouw wordt traditioneel in verband gebracht met de lokale edelman Onno van Ewsum. Volgens een document in het familiearchief was deze in 1450 naar het Heilige Land gereisd om boete te doen voor een misdaad. Hij reisde samen met zijn vriend Albert Jarghes, die burgemeester van de stad Groningen was. Ze reisden via de paus in Rome, van wie Onno absolutie verkreeg, en trokken vervolgens door naar Jeruzalem, waar Onno tot ridder werd geslagen. Op 12 juli (op ‘Sinte Margreten avent’) sloeg het noodlot toe toen Albert in de Jordaan verdronk. Hoe tragisch ook, wie verdronk in de heilige rivier waarin Jezus zelf was gedoopt was natuurlijk wel verzekerd van een plaats in de hemel.

2
2. Na zijn terugkeer in het jaar 1458 zou hij opdracht hebben gegeven tot de bouw van de monumentale kruiskerk die het hart van het Groningse dorp nog altijd domineert. In de 17e eeuw, na de overgang tot het protestantisme, werd op de noordwand van het koor een kroniek geschilderd waarin enkele details vermeld staan over de lotgevallen van de kerk en haar bouwheer. Hier wordt Onno behalve ‘Heer tho Ewsum’ ook ‘Ridder van Cipren’ (Cyprus) genoemd, een titel die had hij gekregen op de terugweg van zijn reis naar Palestina. Deze tekst kwam aan het licht tijdens de restauratie van de kerk in de jaren zeventig. Een tweede kerkkroniek is geschreven op een 17e-eeuws bord in het zuiderdwarspand. Hierop wordt onder meer vermeld dat de pastoor in Onno’s tijd Egbert Onsta heette.

3
3. Aan deze geestelijke herinnert een zandstenen reliëf in het noorder-dwarspand die in 1879 aan het licht kwam en toen ook grondig werd hersteld. We zien de geknielde pastoor voor en gekroonde Maria met Kind op een houten stoel. Achter Egbert staat de ridderheilige Hippolytus, de patroon van de kerk, en een onbekende figuur. Boven het tafereel staat in het Latijn geschreven: “Kijk neer, gij die voorbij gaat, op het graf van de heer Egbert Onsta, die onze eigen goede pastoor was; zwak en oud legde hij dit ambt vrijwillig neer. Prebendaris (=bedienaar) geworden van het altaar van de maagd hier, overleed hij in het jaar 1476, wanneer het volk de feestdag van Bernardus viert”. Als een epitaaf verwees dit reliëf dus naar het graf van de pastoor, dat bij zijn ‘eigen’ altaar, het Maria-altaar, lag. Zoals in de meeste kerken zal dit altaar ook hier aan de noordkant hebben gestaan.

44
4. Het is niet eenvoudig om te reconstrueren hoe de kerk er in de tijd van Onno en Egbert van binnen uit zag, omdat de oorspronkelijke inrichting bij de Reformatie vrijwel geheel is verdwenen. Aan de noordkant van het koor bevindt zich nog de sacramentsnis, het kastje waarin na de mis de hosties werden opgeborgen, met een eenvoudig houten deurtje ervoor. Op dezelfde wand is een schildering te zien van de staande Christus met de wereldbol in de hand – de Salvator Mundi (Redder der Wereld). Op het gewelf boven de plaats waar het altaar stond is een pelikaan geschilderd. Van deze vogel werd gedacht dat hij zichzelf verwondde om zijn kuikens te kunnen voeden, wat hem geschikt maakte als symbool van Christus. Ook op de zuidwand van het koor is Christus geschilderd, nu als de lijdende ‘Man van Smarten’.

  5
5. De meeste middeleeuwse schilderingen zijn bewaard gebleven op de gewelven van het schip en de viering, de kruising van schip en dwarspand. Ze dateren uit het eerste kwart van de 16e eeuw en het is waarschijnlijk dat de Van Ewsums ook bij de totstandkoming hiervan en rol hebben gespeeld. De eerste voorstelling vanuit het westen toont de Zondeval uit Genesis 3, met Adam en Eva naast de boom in het Paradijs. De slang is om de stam gekronkeld en houdt een appel in zijn bek, terwijl Eva deze beetpakt. Opmerkelijk is dat Adam een vijgenblad voor zijn schaamstreek houdt, terwijl hij dit volgens de Bijbeltekst pas deed nadat hij van de vrucht gegeten had. Het vijgenblad ontbreekt op de prent van Albrecht Dürer, die overduidelijk als voorbeeld heeft gediend. Of de voorstelling in Middelstum al meteen bij aanvang werd gekuist of pas later, is niet bekend.

6
6. Op het westelijke gewelfvak in de viering is de scène van Pinksteren te zien, het moment waarop de Heilige Geest in de vorm van een duif op de verzamelde apostelen neerdaalt. De duif is in Middelstum verloren gegaan. Temidden van de apostelen zit Maria met een boek op schoot. Dit niet-Bijbelse motief was in de Middeleeuwen wijd verbreid en is ook verbeeld op het koorgewelf in het naburige Loppersum. In het tegenoverliggende gewelfvak is Christus te zien als rechter in het Laatste Oordeel. Hij troont op de regenboog en naast zijn mond zijn een zwaard (gerechtigheid) en een lelietak (barmhartigheid) geschilderd. Aan de uiteinden van de regenboog zijn de biddende figuren van Maria (links) en Johannes de Doper (rechts) voorgesteld. In de hoeken links en rechtsonder is te zien hoe de graven openbreken en de doden uit hun graven opstaan.

7
 
7. Achter Maria, aan Christus’ rechterhand, is de hemel verbeeld als een monumentaal gebouw in renaissancestijl, met zingende engelenkoren in de wolken erboven. De gelukzaligen worden door een engel bij de ingang rechts verwelkomd. De voorstelling van de hel aan de zuidkant, aan de linkerhand van Christus, is eigenlijk veel boeiender. Hier gat het om een ruïne waarin een constante uitslaande brand woedt. Verdoemden worden overal gegrepen door vervaarlijke duivels die de arme zielen pijnigen en martelen. Eén van hen wordt uit een raam geslingerd. Boven is een duivel met een lompe hoorn te zien evenals een duiveltje met een korte trompet en een grote trommel, als een verbeelding van de als zondig beschouwde dansmuziek. Van deze voorstelling moet op de middeleeuwer een krachtige boodschap zijn uitgegaan: dit is wat de slechteriken aan het einde der tijden te wachten staat.

88
8. Wisten de edelen in de Middeleeuwen hun stempel op de kerk te zetten, na de overgang tot het protestantisme kregen zij pas echt vrij spel. In de zeventiende en de achttiende eeuw veranderde de dorpskerk van Middelstum geleidelijk in een echte adelskerk, zoals op zoveel plaatsen in Noord- en Oost-Nederland gebeurde. Op de grens tussen koor en schip verscheen in 1704 een kolossale herenbank (deze is nu verrijdbaar en staat meestal in het zuiderdwarspand). Op het voorschot is een allegorische vrouwenfiguur uitgebeeld met naast haar een leeuw en een wildeman onder haar voet, mogelijk een verbeelding van de kracht van het geloof. Boven het ruggeschot prijkt het wapens Lewe-Clant. In het midden is de heilige Hippolytus te zien, de middeleeuwse patroon van de kerk, die hier kennelijk nog altijd niet was vergeten.

99
9. Op de hoek van schip en zuiderdwarspand hangt een fraai gesneden preekstoel met doophek uit 1733, toegeschreven aan Casper Stuiwig. Op het voorpaneel is de vanitas (vergankelijkheid) verbeeld door een doodskop en een gevleugelde zandloper. Boven op het klankbord prijkt het gekroonde wapenschild Lewe-Clant vastgehouden door een leeuw en een griffioen. In de dooptuin staat een eenvoudige koperen doopschaal op een standaard. Het orgel werd in 1863 gebouwd door P. van Oeckelen als vervanger van een instrument uit 1619 dat in 1696 ingrijpend werd verbouwd door de beroemde orgelbouwer Arp Schnitger. Bekend is dat de kerk al voor de Reformatie over een orgel beschikte. Op de noordwand van het koor, boven de deur naar de sacristie, is de plaats hiervan met een zwarte lijn aangegeven.

10
10. Het koor is naar oud Gronings gebruik gevuld met een vast meubilair voor de viering van het avondmaal: lange tafels en banken van omstreeks 1900 aan weerszijden van een mooie tafel in Lodewijk XIV-stijl. De zilveren avondmaalsbeker uit 1656 is voorzien van het ingegraveerde wapen Lewe-Alberda: zelfs tijdens de Maaltijd des Heren werden de kerkgangers eraan herinnerd wie het in Middelstum voor het zeggen had. Aan de beide schenkers herinnert ook de fraaie hardstenen grafzerk in de vloer, vervaardigd in 1654, die de toegang tot de grafkelder afsluit. Onderaan is een naakte dode figuur liggend op een sarcofaag te zien, met erboven een Latijnse tekst die in vertaling luidt: “Ik was, ik ben niet meer; gij zijt, gij zult eens niet zijn; na de duisternis hoop ik op het licht”.

Foto’s: archief Regnerus Steensma